WAAROM IK HET CHRISTELIJK GELOOF VERLAAT
5. PROBLEMEN MET HET NIEUWE TESTAMENT

In het vorige hoofdstuk beschreef ik de grote problemen met Jezus als zijnde de ‘beloofde’ Messias. Hoewel ik altijd gehoord had en verkondigd had dat Jezus alle Oudtestamentische profetie vervuld had, bleek dit na nader onderzoek zeer moeilijk vol te houden in het licht van de feiten. Het opende voor mij een zoektocht naar de authenciteit en betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament als geheel. Is het Nieuwe Testament daadwerkelijk dat wat we zouden mogen verwachten van een boek waarin ‘Gods grote plan’ met de mensheid geopenbaard wordt? Heeft het werkelijk de kenmerken van een Goddelijk geïnspireerd boek?

Toen ik ook op dit gebied de ruwe feiten begon te verzamelen, kon ik niet anders dan concluderen dat er grote, zeer zwaarwegende problemen zijn met het Nieuwe Testament.

Historische blunders
Allereerst is het zo dat het Nieuwe Testament op meerdere gebieden historische blunders maakt – of zaken vermeldt die sterk indruisen met wat de overvloed aan historische bronnen vermelden. Met name als het gaat over plaatselijke heersers en hun handelen. Enkele voorbeelden:

  • Mattheüs zegt dat ‘…Herodes opdracht gaf om in Bethlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen’ (Matteüs 2:16). Vreemd genoeg is er geen enkele andere bron die deze kindermoord heeft vastgelegd. En dat is vreemd, aangezien het over een zeer heftige en schokkende gebeurtenis gaat die diepe wonden achtergelaten moet hebben. Geschiedschrijver Flavius Josephus wijdde maar liefst 100 pagina’s aan de daden van Herodes, maar noemde deze extreme en ingrijpende baby-moord nergens.

  • Volgens Lukas trokken Jozef en Maria vanuit Nazareth naar Bethlehem vanwege een volkstelling van legaat Quirinius. Ook deze volkstelling wordt nergens in de geschiedenis beschreven, terwijl de Romeinen deze meestal netjes bijhielden (zo zijn er uit die periode wel volkstellingen vastgelegd uit enkele omliggende regio’s en was er wél een volkstelling door Quirinius tien jaar ná de dood van Herodus). Maar belangrijker nog: het type volkstelling dat Lukas beschrijft is helemaal niet in lijn met hoe de Romeinen dit soort dingen deden. De enige reden om een volkstelling te doen was vanwege belasting die aan de overheerser betaald moest worden. Dit had altijd betrekking op de huidige bezittingen, en daarom moesten mensen zich altijd melden in hun huidige woonplaats – niet in iemands geboorteplaats. Dat Jozef en Maria vanuit Nazareth naar Bethlehem moesten reizen voor zo’n volkstelling is daarom historisch gezien niet geloofwaardig.

  • Jezus zou voor Pontius Pilatus moeten hebben verschijnen. Pilatus gaf het volk de keus wie er gedood moest worden; het volk koos voor Jezus, en Pilatus waste zelfs zijn handen in onschuld. Dat wat het evangelie vertelt is echter helemaal niet in lijn met het karakter en handelen van Pilatus. Pilatus stond erom bekend dat hij zijn troepen naar Jeruzalem stuurde om ijskoud Joden af te slachten wanneer ze het ook maar met de kleinste zaken niet eens waren. Hij voerde een schrikbewind en stuurde duizenden oproerkraaiers naar het kruis. Joden kregen géén Romeins strafproces, en oproerkraaiers of rebellen al helemaal niet – en zeker niet door Pilatus persoonlijk. De gedachte dat Pilatus hoogstpersoonlijk de oproerkraaier Jezus zou oordelen, en hem ook nog eens genade zou willen verlenen maar zich door het Joodse publiek liet overhalen hem toch te laten doden, komt niet overeen met Pilatus’ handelen in alle andere historische verslagleggingen.

  • Volgens de evangeliën werd de gestorven Jezus voor zonsondergang van het kruis gehaald en in een graf gelegd. Dit is historisch gezien zeer onwaarschijnlijk. Kruisiging was een executiemethode die de Romeinen specifiek uitvoerden vanwege haar afschrikwekkende werking. Ze lieten de gekruisigden daarom altijd hangen aan het kruis. Sterker nog: zelfs van criminelen die niet door kruisiging om het leven werden gebracht, werd het lichaam vaak na hun dood aan het kruis gehangen. Voorbijgangers zagen de lichamen van de geëxecuteerden hangen als blijvende waarschuwing. Het lichaam begon na verloop van tijd te rotten, werd aangevreten door gieren, en uiteindelijk werden de beenderen op de grote hoop gegooid. Dat is de reden dat Golgotha de ‘schedelplaats’ heette: er lagen talloze beenderen van geëxecuteerden. Dat Jezus van het kruis werd gehaald, en zelfs in een graf gelegd zou zijn (criminelen kregen nooit een dure en eervolle begraafplaats), zou zeer uitzonderlijk zijn.

Het is niet zo dat bovenstaande zaken niet gebeurd kunnen zijn, wel zijn ze historisch gezien onwaarschijnlijk. En het feit dat de evangeliën aardig wat van dit soort historische onwaarschijnlijkheden bevatten, ondersteunt het idee dat de verhalen pas decennia later werden opgeschreven en het verhaal op dat moment al veel van zijn accuraatheid verloren had.

Het zwijgen van historici
Een ander probleem met de claims uit de evangeliën is dat ze niet door objectieve historische bronnen bevestigd worden. Jezus zou doden opgewekt hebben, zijn kruisiging zou voor een zonsverduistering en aardbeving gezorgd hebben, en zijn opstanding zou voor de opstanding van een heleboel doden gezorgd hebben die vervolgens de stad Jeruzalem inliepen. De opgestane Jezus zou vervolgens enkele dagen later verschenen zijn aan in totaal honderden mensen. Hoe geloofwaardig is het dat geen enkele tijdgenoot deze schokkende gebeurtenissen noemt? Kun je je voorstellen dat er allemaal doden opstaan en de stad inlopen, en dat geen enkele historicus of tijdgenoot van Jezus melding maakt van de gebeurtenis – of zelfs maar van het hardnekkige gerucht?

Het is zelfs nog erger: bijna geen enkele betrouwbare historische bron vermeldt Jezus van Nazareth als een persoon van groot belang. Zelfs Flavius Josephus, dé geschiedschrijver van de Joden in de eerste eeuw, vermeldt Jezus slechts terloops – terwijl hij bijvoorbeeld uitgebreid stilstaat bij Johannes de Doper en aan hem een veel grotere invloed toeschrijft dan aan Jezus.[1] Het lijkt erop dat Jezus helemaal niet zo’n enorme volgersschare had als de veel later door christenen geschreven evangeliën doen vermoeden. En historici uit die tijd vermelden nergen een connectie tussen Johannes de Doper en Jezus Christus; Josephus vermeldt hem als een op zichzelf staande prediker. Het idee dat Johannes de Doper naar Jezus verwees als Messias zou heel goed door de latere schrijvers van de evangeliën bedacht kunnen zijn, vele decennia na diens dood, om Jezus op die manier meer gezag toe te dichten.

Bijbelwetenschapper Ehrman legt uit dat historici iets als historisch bewijs aannemen, wanneer a) er verslagen van de gebeurtenis zijn die tijdens of kort na de gebeurtenis zijn opgetekend, het liefst door ooggetuigen, b) er talloze bronnen zijn die over de gebeurtenis spreken, c) deze bronnen onafhankelijk van elkaar zijn, d) de bronnen consistent met elkaar zijn, maar elkaar niet beïnvloed hebben of gecollaboreerd hebben, en e) de bronnen niet partijdig of gekleurd zijn. De christelijke vermelding van de opstanding van talloze doden (en van Jezus zelf) voldoet aan geen van deze elementen: ze is opgesteld door christenen zelf, door mensen die geen ooggetuige waren, op zijn vroegst enkele decennia na de gebeurtenis, er ontbreken andere (niet-christelijke) bronnen die de gebeurtenis bevestigen, de bronnen zijn ten dele consistent met elkaar maar hebben elkaar aantoonbaar beïnvloed – ze maken namelijk gebruik van hetzelfde brondocument – en de bronnen zijn bevooroordeeld: het waren volgelingen van Jezus die hun verhalen opschreven als materiaal voor geestelijke opbouw.

Tegenstrijdigheden en fouten
Verder is het zo dat het Nieuwe Testament (evenals het Oude Testament) een groot aantal contradicties kent. Met name de vier evangelisten spreken elkaar voortdurend tegen. Een kleine greep:

  • Volgens Mattheüs is Jezus geboren onder Herodes de Grote. Volgens Lucas echter is Jezus geboren tijdens een volkstelling van Quirinius (legaat van Syrië). Herodes is gestorven in 4 voor Christus, Quirinius werd legaat van Syrië in 6 na Christus. Hoe kan Jezus zowel voor 4 v.Chr. als na 6 n.Chr. geboren zijn?

  • Volgens Markus en Mattheus waren Jezus’ laatste woorden “Mijn God mijn God waarom hebt gij mij verlaten”, volgens Lukas zei Jezus “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest” en volgens Johannes zei Jezus “Het is volbracht.” Hij kan niet alle drie de zinnen als laatste gezegd hebben.

  • De beschrijvingen van de opstanding van Jezus zijn zo tegenstrijdig dat het erop lijkt dat de eerste christenen slechts mondelinge verhalen hierover kenden. Volgens Marcus gingen 3 vrouwen naar het graf om Jezus te balsemen, en is er 1 engel die in het graf zit. Volgens Mattheüs zijn het slechts twee vrouwen, is er een aardbeving en daalt een engel neer die op de weggerolde steen gaat zitten. Volgens Lukas zijn er 2 engelen die binnenin het graf staan en verschijnt Jezus als eerste aan de Emmaüsgangers, dan aan Petrus, dan aan de discipelen; er wordt niets gezegd over verschijningen aan de vrouwen. Paulus, ten slotte, beweert dat Jezus na zijn opstanding verscheen aan Petrus, toen aan de discipelen, en toen aan 500 andere mensen. Overigens: Johannes beweert dat Jozef van Arimathea met 100 pond welriekende kruiden het lichaam van Jezus had laten balsemen, wat Marcus’ verhaal over vrouwen die kwamen om Jezus te balsemen weer tegenspreekt.

Christenen die vast willen houden aan de ‘onfeilbaarheid van de Bijbel’ proberen de grote verschillen tussen de evangeliën vaak weg te verklaren of ze via ingewikkelde constructies te verenigen met elkaar, maar dat kan enkel door behoorlijk veel kunst- en vliegwerk.

Het feit dat de evangelisten op zoveel punten iets anders beweren, toont naar mijn idee juist aan dat veel van de gebeurtenissen rond Jezus nooit opgetekend zijn, maar decennialang mondeling werden verteld. Vermoedelijk circuleerden in alle christelijke gemeenschappen verschillende versies van de verhalen. De evangelisten, die Jezus’ leven wilden vastleggen, hebben verschillende veelal mondelinge bronnen geraadpleegd en op basis daarvan geprobeerd de geschiedenis te reconstrueren.

Als je de evangeliën (met uitzondering van Johannes) naast elkaar legt is er overigens een klein deel dat wél precies overeenkomt, namelijk een reeks uitspraken van Jezus. Vanwege dit feit hebben geleerden geconcludeerd dat er mogelijk wel een op schrift gestelde lijst met Jezus’ uitspraken moet zijn geweest die de evangelisten als bron hanteerden en die zij gebruikten als kapstok voor de rest (het hypothetische ‘document Q’).[2] Alle details eromheen waren echter niet opgetekend, en de evangelisten hebben daarvoor dus gebruik moeten maken van mondelinge bronnen, wat resulteerde in grote afwijkingen in de tekst. (Dat is overigens ook ongeveer hoe de schrijver van het Evangelie van Lukas zelf zijn werkwijze beschrijft in Luk 1:1-4.)

Soms zeggen christenen, als het gaat over bovenstaande inconsistenties, dat de verschillen niet zo belangrijk zijn: het gaat om de essentie, niet om de details. Maar dat is een slecht argument om een boek dat zo tegen zichzelf verdeeld is, te redden. Want in hoeverre is de tekst van de Bijbel dan nog te vertrouwen? Als de Bijbel al op detailniveau zo afwijkt, hoe kunnen we dan beweren dat alles wat het beweert over de Grote Dingen wél waar is? En trouwens, als iets een (onfeilbaar) ‘boek van God’ is, dan zou je toch verwachten dat God het zo geleid zou hebben dat de inhoud niet vol fouten zit?

Voorspellingen die Jezus zelf deed
Ten slotte zijn er nog de ‘voorspellingen’ die Jezus zelf deed. Zo heeft hij zijn eigen dood en opstanding aangekondigd. Ook kondigde hij aan dat binnen één generatie de tempel verwoest zou worden en Jeruzalem zou worden ingenomen (o.a. in Lukas 21, Mattheüs 24 en Marcus 13) – iets wat in het jaar 70 inderdaad gebeurde toen, als sluitstuk van de Joodse Oorlog, de Romeinen de stad en tempel vernietigden. Ik geloofde altijd dat deze voorspellingen duidelijk maakten dat Jezus op voorhand wist wat er ging gebeuren. Ik ben zelfs jarenlang preterist geweest: ik geloofde dat de ‘eindtijd’ betrekking had op de vernietiging van Jeruzalem. Maar toen ik dit kritisch onder de loep nam werd het steeds lastiger dit te geloven.

De vroege kerk kende lange tijd alleen de brieven van Paulus. De evangeliën duiken pas aan het einde van de 2e eeuw op in de geschiedenis: voor die tijd wordt nergens melding gemaakt van een evangelie van Mattheüs, Marcus, Lukas of Johannes (zie volgende paragraaf). Hoewel de evangeliën pas aan het einde van de 2e eeuw hun huidige vorm bereikten, gaan geleerden er over het algemeen wel vanuit dat de basis van de evangeliën van Mattheüs en Lukas in de eerste eeuw werd gelegd. Men neemt aan dat delen van de tekst zijn ontstaan in de periode 80-110. De oudste delen zijn dus op zijn vroegst rond het jaar 80 geschreven, tien jaar na de val van Jeruzalem. Beide evangeliën dateren dus sowieso van na de val van Jeruzalem. Zelfs het Marcusevangelie, vermoedelijk het vroegste evangelie dat er is, werd op zijn vroegst tijdens de Joodse oorlog geschreven (ca. 70 na Christus). Maar met in ons achterhoofd het feit dat de evangeliën pas honderd jaar later in de geschiedenis vermeld worden, weten we dat ze na die tijd nog sterk gereviseerd en aangepast kunnen zijn.

Zoals reeds besproken zien we in de evangeliën een bijna krampachtige ijver om Jezus als Messias te bewijzen. Mattheüs trekt een enorm blik oudtestamentische teksten los die hij op vergezochte wijze op Jezus projecteert, allemaal om het idee van Jezus als Messias te onderbouwen. De evangelisten schuwden zelfs niet om profetieën naar hun hand te zetten! In dit licht is het goed voor te stellen dat zij achteraf ook de val van Jeruzalem door Jezus lieten voorspellen.[3] Vergeet niet dat de vernietiging van de heilige stad een ongekend heftige gebeurtenis was. Het is niet meer dan logisch dat de schrijvers van de evangeliën deze gebeurtenis wilden verwerken in hun theologie. De vroege kerk, die onder de invloed van Paulus stond, zag de vernietiging van de tempel als hét bewijs dat de kritiek van Jezus op de Joodse geestelijk leiders klopte en dat het ‘oude’ Jodendom verdween, omdat het Joodse volk Jezus niet als Messias hadden willen aannemen. Door Jezus tot in detail de val van Jeruzalem te laten voorspellen, gaven ze hem extra gezag als zijnde de Messias.

Laten we eerlijk zijn: als er in de periode 2002-2010 een Amerikaanse profetie zou opduiken waarin de aanval op de Twin Towers werd aangekondigd, maar de profetie aantoonbaar pas ná 9/11 werd opgeschreven, zou je het dan geloven? Ik denk dat bijna iedereen dan de meest logische verklaring trekt: de profetie werd na de gebeurtenis gefabriceerd – en hoe dan ook is het niet aan te tonen dat dat niet het geval is. Tel daarbij op dat de evangeliën nog vele decennialang gereviseerd en aangepast werden (Lukas’ evangelie werd bijvoorbeeld aantoonbaar nog honderd jaar na Jezus' dood aangepast) en we begrijpen dat we niets zeker weten over wat Jezus werkelijk gezegd heeft. Zowel de aankondiging van de val van Jeruzalem als de voorspellingen van zijn dood en opstanding kunnen jaren na de betreffende gebeurtenissen aan de evangeliën toegevoegd zijn.

Authenticiteit van het Nieuwe Testament als geheel
Meer dan tien jaar geleden las ik het christelijke boek ‘Bewijs Genoeg’ van Lee Strobel (een boek dat de accuraatheid van het Nieuwe Testament verdedigt) en dacht daarmee dat het bewezen was dat de evangeliën accuraat en betrouwbaar waren. Tenslotte legde Strobel vol overtuiging uit dat men vele duizenden manuscripten had teruggevonden die enkel op zeer onbelangrijke punten van elkaar verschilden. Het idee dat er met de evangeliën gerommeld zou zijn was, zo werd gesuggereerd, een leugen van moderne geleerden die per se de Bijbel onderuit wilden halen. Maar ik zie nu dat Strobel op veel punten de mist in gaat. Strobel suggereert dat hij als niet-christen objectief is gaan zoeken naar bewijzen tegen Jezus, maar door de grote hoeveelheid feiten juist overtuigd werd van de waarheid van de Bijbel. Dit is een nogal suggestieve weergave van de werkelijkheid als je je realiseert dat alle ‘topwetenschappers’ die hij raadpleegt overtuigde christenen zijn. Maar dat terzijde.

Strobel laat in zijn boek het feit buiten beschouwing dat de evangeliën pas (op zijn vroegst) decennia later zijn opgeschreven dan de beschreven gebeurtenissen, en dat – gezien de grote verschillen in verhaallijn – het er alle schijn van heeft dat de opgetekende verhalen tot die tijd mondeling circuleerden (op het Q-document na). Pas ongeveer 40 tot 50 jaar na Christus’ dood werden de evangeliën opgetekend – in hun meest ruwe vorm – en er zijn, zoals gezegd, veel indicaties dat de evangeliën nog tot ver in de tweede eeuw aangepast werden en pas aan het einde van de tweede eeuw ‘af’ waren. Want aan het einde van de eerste eeuw maakte de kerkvader Clemens van Rome melding van brieven van Paulus, maar nog niet van de evangeliën.[4] In 130-140 is Marcion van Silope de eerste die een ‘canon’ creëert van christelijke geschriften, maar dit bevat enkel de brieven van Paulus en slechts één evangelie: het ‘Evangelie volgens Marcion’ wat een verkorte vorm van het Lukas-evangelie lijkt – al zijn geleerden er niet over uit over het Lukasevangelie een uitbreiding van Marcions tekst is, of dat Marcion een verkorte versie van een al bestaand Lukasevangelie maakte. Hoe dan ook is er op dat moment – honderd jaar na de dood van Jezus! – nóg geen sprake van een ‘afgerond’ evangelie van Mattheüs, Lukas en Marcus. Pas in het jaar 170 zien we dat er een canon is waarin alle vier de evangeliën zijn opgenomen (de Canon Muratori). En zelfs die evangeliën zijn mogelijk nog niet zoals we die nu kennen, want bepaalde passages duiken pas eeuwen later voor het eerst op (zo duikt het slot van Marcus inclusief de zending van de apostelen pas op in latere handschriften, en ontbreekt het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes in alle oude handschriften en duikt het pas op in de vierde of vroeg vijfde eeuw).

Het is ook nog eens zeer aannemelijk dat de evangeliën niet werkelijk zijn geschreven door Markus, Mattheüs, Lukas en Johannes, want als zij werkelijk de evangeliën geschreven hebben in de decennia ná Jezus, waarom horen we dan niks over hun evangeliën in de brieven en geschriften van kerkvaders in het vroege christendom? Waarom wordt pas in het jaar 170 voor het eerst verwezen naar deze vier evangeliën met de vier namen van evangelisten erbij? Het lijkt mij dat een geschrift geschreven door bijvoorbeeld Johannes – een van de twaalf discipelen – als zéér gezaghebbend zou zijn gezien en op zijn minst bekend moest zijn bij kerkleiders. Toch ontbreekt ieder spoor van ‘het evangelie van Johannes’ voor het jaar 170. Hoe geloofwaardig is het dat het verslag van één van Jezus’ naaste discipelen in de eerste 140 jaar van het christendom nergens vermeld wordt?

De werkelijkheid is precies andersom: toen het christendom zich verbreidde, kon men extra gezag aan een geschrift koppelen door het aan een apostel toe te schrijven. Er ontstonden vele tientallen geschriften, sommige zeer ongeloofwaardig en fantasierijk, die aan de apostelen werden toegeschreven (zoals de Openbaring van Petrus, het evangelie van Thomas, het Leven van Johannes de Doper, het evangelie van Petrus, evangelie van Bartolomeüs, de Openbaring van Jakobus, de Openbaring van Paulus, enzovoorts). En veel geschriften die al langer circuleerden werden ineens met terugwerkende kracht aan apostelen toegeschreven.

In de eerste eeuwen van het christendom zien we dan ook dat er voortdurend variatie is in welke boeken wel of niet tot het Nieuwe Testament mogen behoren:

  • Rond het jaar 130 erkende men alleen de brieven van Paulus. Handelingen hoorde er nog niet bij, er waren geen brieven van andere apostelen, ook nog geen Openbaring.
  • Rond 170 zien we voor het eerst de 4 evangeliën erbij, ook de brieven van Paulus werden erkend, maar nog altijd geen brieven van Petrus of Jakobus. Bijzonder genoeg werd het boek Wijsheid wél als geïnspireerd gezien, evenals ‘de Openbaring van Petrus’, een krankzinnig geschrift dat een visioen van de hel beschrijft waarin Godslasteraars aan hun tong worden opgehangen, overspelige vrouwen aan hun haar boven een modderpoel worden opgehangen, lesbische vrouwen tot in eeuwigheid door engelen een klif op geduwd en eraf gegooid worden en vrouwen die abortus hebben gepleegd tot hun nek in een poel met bloed moeten leven.
  • Rond 300 zien we evangeliën en brieven van Paulus, maar 4 van Paulus brieven niet, en ook Openbaring hoort er niet bij.
  • In 330-360 is de ‘canon’ ongeveer zoals we die nu kennen, maar ook ‘Herder van Hermas’ en de ‘Brief van Barnabas’ horen erbij.
  • Rond 400-440 is de canon precies zoals we het nu kennen maar ineens worden ook 1 en 2 Clemens erbij gerekend.
  • Pas in 450 is het Nieuwe Testament zoals we dat nu kennen, afgerond.

Het feit dat boeken die nu in onze Bijbel staan soms pas eeuwen na Christus voor het eerst tot het Nieuwe Testament werden gerekend, en andere boeken pas na eeuwen verworpen werden, laat zien dat we hier niet te maken hebben met ‘Goddelijke preservatie’ maar met mensenwerk. Als je echt gelooft dat God de vorming van de canon zo geleid heeft, waarom moesten de christenen van de eerste vier eeuwen het dan met hele andere samenstellingen doen?

'Duizenden manuscripten'
In christelijke boeken wordt het idee vaak gepropageerd dat er duizenden manuscripten van het Nieuwe Testament zijn die slechts op kleine details afwijken. Dit wekt de indruk dat er een enorme hoeveelheid accurate handschriften zijn gevonden uit de eerste eeuwen van het christendom. Maar ook dat is niet waar. Er zijn géén handschriften teruggevonden uit de eerste eeuw, vervolgens slechts 2 fragmenten uit de 2e eeuw, daarna in de derde eeuw zo’n 30 fragmenten, en in de vierde eeuw enkele tientallen. Géén duizenden. Pas in de vierde en vijfde eeuw, toen het christendom de officiële godsdienst van het Romeinse rijk werd en zich sterk begon te verspreiden, begon het massale kopiëren en verspreiden van het op dat moment aanvaarde Nieuwe Testament. Het overgrote deel van de ‘duizenden elkaar bevestigende handschriften’ zien we pas in de latere Middeleeuwen opduiken. Dat we duizenden handschriften teruggevonden hebben met slechts kleine verschillen zegt niets over de authenticiteit van de geschriften zelf; het zegt vooral iets over de ijver van de christenen uit de vroege en vooral late middeleeuwen deze geschriften te verspreiden.

Anders dan Strobel het doet voorkomen zegt de overeenkomst tussen de vandaag gevonden handschriften dus niets over of hetgeen ze beschrijven accuraat is. Voorafgaand aan de verspreiding van het Nieuwe Testament in de Middeleeuwen konden de handschriften al eeuwenlang zijn aangepast. We hebben geen flauw idee in hoeverre de verhalen rond Jezus in de periode 30-170 zijn aangedikt. Er is een hiaat van bijna een halve eeuw tussen de verhalen zelf en de opschriftstelling ervan, en vervolgens konden die opschriftstellingen nog eeuwenlang revisies en aanpassingen ondergaan die we nu niet meer kunnen achterhalen, omdat we geen manuscripten hebben uit de vroegste periode.

En dan hebben we het alleen nog maar over de geschriften van de vroege kerk. Een even grote pluriformiteit zien we in de theologische ideeën en stromingen in de vroege kerk. Tegenwoordig wordt vaak het idee gecreëerd dat ‘de vroege kerk’ een soort pure en heldere utopische en vooral eenduidige kerk was waar we nu naar terug moeten keren, maar de werkelijkheid is dat geleerden over het algemeen vaststellen dat hoe verder je teruggaat in de kerkgeschiedenis, hoe pluriformer de meningen en theologische concepten worden. Er waren Joodse christenen die de wet hielden en Jezus vooral als Joodse Messias zagen, Paulusiaanse christenen die Jezus als heer over alles verkondigden, mensen die de besnijdenis behielden en christenen die daar fel op tegen waren, gnostische christenen die de ideeën interpreteerden op meer spirituele manier, Grieks-georiënteerde christenen die een rationeel en filosofisch christendom aanhingen, volgers van de leer dat Jezus een geestelijk wezen was, dat hij slechts een mens of wijs man was, dat hij God was, dat hij enkel de Messias was, en er was totaal géén eenduidigheid over thema’s als de positie van Jezus, de positie van de Wet en de joodse gebruiken, de drie-eenheid, verzoening, de aard van de geestelijke wereld, enzovoorts. Zelfs Paulus en de Joodse gemeente in Jeruzalem lagen met elkaar overhoop over essentiële kwesties zoals de besnijdenis en Joodse wetten. Het kostte de kerk zelfs eeuwen om een uniform standpunt te creëren over de goddelijkheid van Jezus! De basis voor één orthodoxe christelijke leer ontstond pas eeuwen na Christus toen men via kerkconcilies bepaalde standpunten ging vastleggen als dogma’s, en andersdenkenden ging vervolgen. Tot die tijd was het christendom een syncretische godsdienst met allerlei verschillende takken.

Het beroemde argument van C.S. Lewis (ook wel Lewis's trilemma genoemd) dat Jezus ófwel gestoord, ofwel een bedrieger ofwel God moest zijn, is in het licht van al het voorgaande een compleet falend argument, want we weten feitelijk niets over wat Jezus van Nazareth over zichzelf gezegd heeft. Paulus' brieven kennen nauwelijks een historische Jezus en kennen praktisch geen overlap met de evangeliën (daarover later meer, trouwens) en de uitspraken van Jezus in de evangelieën duiken pas aan het einde van de 2e eeuw op en konden op dat moment al zo'n 140 jaar door christenen zijn aangepast.

De evangelieschrijvers en Josephus
Zoals ik al terloops noemde, zijn er zwaarwegende indicaties dat de evangeliën niet geschreven werden door Markus, Mattheüs, Lukas en Johannes, omdat hun namen pas aan het einde van de 2e eeuw aan de evangeliën gekoppeld worden. Maar daarnaast zijn er ook wat betreft de inhoud van de evangeliën indicaties dat deze niet door ooggetuigen geschreven kunnen zijn.

Allereerst is het zo dat echte ooggetuigen hun verhaal in hun eigen woorden zouden opschrijven. Wanneer je meerdere ooggetuigen vraagt een gebeurtenis te beschrijven, dan zal het verhaal in grote lijnen gelijk zijn, maar in woordkeus variëren. De 3 synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus, Lukas) zijn echter bewijsbaar aangepaste en gepersonaliseerde versies van één brondocument (document Q) omdat de overeenkomstige delen gebruik maken van exact dezelfde bewoordingen. Dit is in lijn met de gedachte dat de schrijvers van de evangeliën geen ooggetuigen waren, maar veel later hun evangelie opstelden en het moesten doen met dat ene brondocument, en voor de rest met orale overleveringen. Want de rést van hun evangelie – de delen waarvoor ze géén geschreven brondocument tot hun beschikking hadden – zijn vervolgens juist weer hopeloos in contradictie met elkaar.

Ook toont analyse van de evangeliën aan dat op zijn minst grote delen van de tekst niet aan Joodse auteurs met kennis van de Tenach toegeschreven kan worden. De auteurs gebruiken veelal de Griekse vertaling van het Oude Testament, en maken door vertaalfouten in die Griekse vertaling soms inhoudelijke missers (zoals de genoemde vertaling van 'maagd' i.p.v. 'jonge vrouw'; een echte Jood zou weten dat de tekst in Jesaja niet over een maagd spreekt, maar een Hellenistische heidense christen niet.)

Kortom: de evangelieschrijvers waren dus geen ooggetuigen, maar (waarschijnlijk heidense) schrijvers die vermoedelijk pas in de 2e eeuw het brondocument Q namen en er onder christenen circulerende verhalen aan toevoegden, om op die manier een tekst te creëren die ze aan nieuwe gelovigen konden laten lezen. Vergeet niet dat decennialang enkel brieven van Paulus circuleerden onder christenen – het is logisch dat er grote behoefte was aan heldere beschrijvingen van het leven van Jezus. Rond de tijd dat zij de verhalen opschreven had er al 'legendevorming' plaatsgevonden rond de persoon Jezus van Nazareth. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Mattheüs en Lukas twee enigszins gelijkende maar toch onverenigbare verhalen optekenden over de wonderlijke geboorte van Jezus – verhalen die duidelijk gemodelleerd zijn aan de hand van Oudtestamentische wonderlijke-geboorte-verhalen, namelijk die van Ismaël, Isaäk en Samson.

Maar er is nog een belangrijke indicatie dat de schrijvers van de evangeliën geen ooggetuigen waren. De schrijvers van de evangeliën noemen talloze heersers, koningen, machthebbers en priesters uit Jezus’ tijd om op die manier het verhaal historisch kracht bij te zetten. Er is echter een boven toeval verheven parallel met de werken van de Joodse historicus Flavius Josephus (met name met zijn werk ‘Joodse Oudheden’). In veel gevallen lijken de evangelieschrijvers de historische context voor hun evangelie uit Josephus’ werk te hebben gekopieerd – zelfs de opbouw van de evangeliën komt overeen met Josephus.

Josephus rondde zijn historische werk af in ca. het jaar 90, wat dus betekent dat de evangeliën pas na die tijd ontstaan moeten zijn (of in ieder geval, de historische gegevens die aan de evangeliën zijn toegevoegd). Alles wijst erop dat de evangelieschrijvers géén ooggetuigen waren, maar latere redacteuren die hun best deden de verhalen die de ronde deden over Jezus in een sterke historische context te gieten, om zo de lezers te overtuigen van de echtheid van hun relaas.

Opvallend is dat in de evangeliën veel foutjes en onjuistheden zitten als we de historische informatie vergelijken met Josephus en andere historici, wat erop duidt dat de evangelisten de werken van Josephus niet overal even goed lazen – of soms de historie bewust wat aanpasten om in lijn te brengen met de verhalen over Jezus. Het meest opvallende echter is het feit dat de schrijvers van de evangeliën bij bepaalde door hen gefabriceerde verhalen over Jezus duidelijk geïnspireerd lijken te zijn door historische gebeurtenissen die Josephus noemt:

  • Zoals vermeld ontbreekt enige historische basis voor de ‘kindermoord’ door Herodus zoals Mattheüs die beschrijft. Maar Flavius Josephus beschrijft wél een verhaal dat er opvallend veer gelijkenis mee vertoont: een Farizeër genaamd Bagoas – een eunuch – zou volgens een goddelijke profetie de vader worden van een nieuwe koning die de heerschappij van Herodus zou beëindigen. Herodus wordt vervolgens paranoïde en vermoordt Bagoas en een hele rits andere personen – zelfs personen uit zijn eigen familie die hij wantrouwt (Oudheden 17.2.4 43). Opvallend is dat het hier net als in het verhaal van Jezus gaat om een aangekondigde koning die de macht van Herodus zou beëindigen, die nog geboren moest worden en op wonderlijke wijze ter wereld zou komen (een eunuch kan namelijk geen nageslacht voortbrengen!) en Herodus die zo achterdochtig is dat hij overgaat tot een massamoord. Wetende dat de schrijver van Mattheüs veel historische zaken uit Josephus overnam om zo zijn verhaal kracht bij te zetten, en wetende dat hij een verhaal moest creëren waarin de uit Nazareth afkomstige Jezus in Bethlehem te wereld komt, is aannemelijk dat hij zich liet inspireren door bovenstaande geschiedenis van Herodus toen hij het verhaal over de kindermoord bedacht.

  • Hetzelfde lijkt het geval bij de volkstelling die Lukas beschrijft. Zoals vermeld is er geen enkele historicus die de genoemde volkstelling vermeldt. Maar er was op een ander tijdstip wél een volkstelling door Quirinius: Flavius Josephus vermeldt een telling die tien jaar na de dood van Herodus had plaatsgevonden (Oudheden 18.1.1 1). Josephus staat niet alleen: meerdere Romeinse historici bevestigen dat dit inderdaad de correcte datum is. Het lijkt erop dat Lukas het ‘idee’ van een volkstelling door Quirinius uit Josephus heeft gekopieerd – hij fabriceerde op die manier een historisch aannemelijke reden voor Jozef en Maria om naar Betlehem te reizen zodat Jezus daar ter wereld zou komen. Lukas moest de volkstelling echter rond de geboorte van Jezus situeren, welke plaatsvond tijdens de heerschappij van Herodus, waardoor het historisch incorrect is. En zoals eerder genoemd is ook de aard van de volkstelling zoals Lukas deze beschrijft historisch incorrect (de telling vond altijd plaats in de huidige woonplaats van de inwoners, niet de plaats van herkomst). Dit alles doet vermoeden dat de schrijver van Lukas een manier zocht om Jezus in Bethlehem geboren te laten worden, in de kronieken van Josephus zocht naar historische gebeurtenissen om hiervan een aannemelijk verhaal te smeden, maar het niet zo nauw nam met de exacte chronologie van gebeurtenissen – mogelijk omdat zijn publiek (veelal heidenen) toch niet zo op de hoogte waren van de regeerperiodes van heersers in Judea. Hoe dan ook: de manier waarop in het evangelie van Lukas met historische informatie wordt omgegaan is alleen aannemelijk voor een schrijver die zelf in een latere tijd leefde, en de historische feiten uit boeken moest halen en zo de gemaakte fouten kon maken.

We hebben wat betreft de kindermoord en de volkstelling dus niet alleen sterke historische aanwijzingen dat de gebeurtenissen verzonnen zijn; we hebben zelfs een hele plausibele verklaring welke bron de schrijvers hanteerden bij het fabriceren van de gebeurtenissen: Flavius Josephus.

Dan is er nog een derde, opvallende gelijkenis tussen Josephus’ historie en de evangeliën:

  • Josephus schrijft in zijn autobiografie dat hij als kind snel leerde en zowel een sterk geheugen als groot inzicht bleek te hebben. Toen hij ongeveer 14 jaar oud was werd hij geprezen door iedereen; zelfs de hogepriesters en de belangrijke mannen van de stad kwamen vaak samen om naar de jonge Josephus te luisteren en hem de wet te horen uitleggen (Het leven van Flavius Josephus 1.2-8). Het lijkt erop dat Lukas wederom geïnspireerd werd door Josephus, want hij beschrijft in zijn evangelie dat Jezus toen hij twaalf jaar was door zijn ouders in de tempel werd aangetroffen, waar hij te midden van de leraars zat, naar hen luisterde en vragen aan hen stelde – en ‘...allen die Hem hoorden, stonden versteld van Zijn verstand en antwoorden’ (Lukas 2:47). Beide passages gaan over een jongen met een leeftijd rond zijn bar mitswah (namelijk rond 13) die wijzer is dan je van zo’n jongen zou verwachten, en die tijd doorbrengt met de wetgeleerden en zo’n groot inzicht heeft dat hij de volwassen leraren versteld doet staan.

Bovenstaande zaken zijn een sterke indicatie dat de schrijvers van de evangeliën géén ooggetuigen waren, maar latere schrijvers die met terugwerkende kracht de circulerende verhalen over Jezus bundelden en het koppelden aan historische gebeurtenissen (of historisch aannemelijke gebeurtenissen) die ze uit historische werken haalden – om hun relaas zo extra kracht bij te zetten. Omdat ze er zelf niet bij waren en waarschijnlijk zelfs nog niet geboren waren in de tijd van Jezus, slopen er allerhande historische foutjes in.

Dat is begrijpelijk: als ik een geloofwaardig verhaal moet optekenen dat honderd jaar geleden plaatsvond dan moet ik geschiedenisboeken raadplegen om het verhaal historisch kracht bij te zetten, maar omdat ik er zelf niet bij was is de kans groot dat ik foutjes maak. Het is tenslotte niet gemakkelijk om honderd jaar na dato heersers, machthebbers en overlappende regeerperiodes correct te reconstrueren! Als de evangelisten echter werkelijk tijdgenoten van Jezus waren, dan zouden ze de historische verwijzingen niet van Josephus hebben hoeven lenen. En hoe dan ook suggereert het feit dat de evangelisten ‘leenden’ van Josephus dat hun evangeliën ná de publicatie van de Joodse Oudheden (ca. 90 A.D.) moeten zijn opgesteld – of op zijn minst dat de historische verwijzingen pas later aan het evangelie toegevoegd zijn.

Met dit in ons achterhoofd zijn de eerder genoemde ‘historische ongeloofwaardigheden’ (over o.a. het karakter van Pilatus en de aard van Romeinse executie door kruisiging) ook niet zo vreemd – zulke blunders zijn niet meer dan normaal wanneer je decennia na dato een gebeurtenis beschrijft waar je zelf niet bij was.

'Schaduwbeelden'
Maar bewijzen de vele bijzondere 'schaduwbeelden' van Jezus in het Oude Testament niet dat de Bijbel goddelijk is, en dat Jezus' komst perfect voorspeld was? Dat is wat ik altijd geloofde.

Het is echter andersom. We weten dat de auteurs van de evangeliën hun uiterste best deden om van Jezus de voorspelde Messias te maken. Dat blijkt duidelijk uit de grote hoeveelheid nietszeggende teksten die zij uit het Oude Testament citeren en op krampachtige wijze op Jezus projecteren. De schrijvers van de evangeliën hebben bewust zo veel mogelijk Oudtestamentische metaforen, beelden en profetieën op Jezus geprojecteerd. Het is onderdeel van de legendevorming rond Jezus. De geboorte van Jezus bevat alle 'goddelijke' kenmerken van de oudtestamentische geboortes van Ismaël, Isaäk en Samson. De auteur van het evangelie van Mattheüs heeft zijn uiterste best gedaan om Jezus als een nieuwe Mozes te portretteren: hij is uit Egypte geroepen, hij werd gedoopt net zoals Mozes door de Schelfzee trok, hij bracht 40 dagen in de woestijn door waar de duivel hem op de proef stelde net zoals Mozes en het volk Israël 40 jaar in de woestijn beproefd werden, en hij gaf vervolgens de Bergrede als parallel van hoe Mozes het volk de wet onderwees. De auteur van Handelingen verwerkte bewust parallellen met het oude testament in zijn beschrijving van het ontstaan van de eerste gemeente: toen Mozes de wet ontving werden diezelfde dag 3000 mensen op basis van die wet gedood, toen de gelovigen de Heilige Geest ontvingen kwamen diezelfde dag 3000 mensen tot bekering. En net zoals bij de toren van Babel de volken gescheiden werden doordat ze elkaars talen niet konden verstaan, zo laat de schrijver van Handeling hier alle volken elkaar weer verstaan.

Paulus ging hier nog veel verder in door te beweren dat de rots waar in de woestijn water uit kwam symbool voor Jezus was, dat Jeruzalem symbool voor de gemeente was, dat Melchisedek een typebeeld van Christus' priesterschap was, enzovoorts. Al deze 'schaduwbeelden' bewijzen niet dat Jezus het Oude Testament perfect vervulde; ze bewijzen vooral de ijver van de vroege christenen om Jezus als een waardige Messias te portretteren in de evangeliën.

Paulus’ brieven als verdediging van de historiciteit van de evangeliën
Alles wijst erop dat op het moment dat de evangeliën het levenslicht zagen, de verhalen over Jezus al verregaand gemythologiseerd waren. Nu wordt dit idee vaak door Bijbelverdedigers van de hand gedaan door te wijzen op Paulus’ brieven. De gedachte is als volgt: de eerste brieven van Paulus dateren vermoedelijk al uit de jaren 40 van de eerste eeuw (zelfs de meest kritische geleerden nemen aan dat de brieven slechts enkele decennia na Christus’ dood zijn opgesteld), en die brieven bevestigen de evangeliën. Thema’s als het verlossingswerk van Christus, zijn dood en zijn opstanding zien we tenslotte terug in Paulus geschriften. Is dit niet een reden om aan te nemen dat de geschiedenis rond Jezus op dat vroege moment al zeer accuraat was vastgelegd? Zien we via Paulus’ brieven niet heel helder dat de geschiedenis rond Jezus niet gemythologiseerd was?

De grootste denkfout die we in dit geval maken, is dat we menen dat de brieven van Paulus zijn geschreven na de evangeliën. Dat is ook niet vreemd, we worden namelijk op het verkeerde been gezet doordat het Nieuwe Testament begint met de vier evangeliën, en daarna pas met de brieven van Paulus. In werkelijkheid bestonden de evangeliën nog helemaal niet toen Paulus zijn brieven schreef.

Paulus kende de historische Jezus niet, kende de uitspraken van Jezus niet en kende de volgelingen van Jezus nauwelijks. Toen hij een visioen kreeg (op weg naar Damascus) bekeerde hij zich tot Christus, en begon direct met prediken. Pas na drie jaar zijn boodschap te hebben verkondigd ontmoette hij Petrus en Jakobus. Paulus werd de stichter van talloze (veelal heidens georiënteerde) christelijke gemeenschappen, en het waren zijn brieven die begonnen te circuleren. Paulus is in feite de stichter van het christendom, want we hebben geen idee hoe de oorspronkelijke volgelingen van Jezus dachten. We weten ook niet of Paulus Jezus goed representeert. De kerk kende de eerste honderd jaar enkel en alleen Paulus’ theologie – de evangeliën duiken pas ver in de 2e eeuw op, en konden reeds een eeuw lang aan Paulus’ leer zijn aangepast. Met andere woorden: Paulus bevestigt de evangeliën niet, want er waren nog geen evangeliën. Het is vele malen geloofwaardiger dat de verhalen van Jezus langzaam werden aangepast op Paulus’ leer, die gemeengoed werd binnen het christendom.

Weten we dit, dan begrijpen we dat we Paulus’ brieven nooit succesvol kunnen aandragen als argument voor de betrouwbaarheid van de verhalen over Jezus in de evangeliën. Want:

  • Paulus was geen ooggetuige van Jezus. Hij moest het dus automatisch doen met wat hem verteld was door anderen. We weten bovendien dat hij weinig contact had met de discipelen van Jezus. Hij is dus geen goede bron wat betreft zijn informatie over Jezus van Nazareth.
  • Paulus’ brieven kennen heel weinig overlap met de evangeliën. Paulus haalt praktisch nergens gebeurtenissen uit de evangeliën aan en citeert bijna nooit uitspraken van Jezus.[5] Dit is niet vreemd, aangezien hij, zoals gezegd, nauwelijks in contact stond met de discipelen.
  • De evangeliën werden veel later opgesteld dan de brieven van Paulus. Daar waar Paulus zijn brieven al in de jaren 40 van de eerste eeuw begon te schrijven, ligt de basis van de teksten van de evangeliën pas op zijn vroegst na de val van Jeruzalem (ca. 70 na Christus). Pas in het jaar 170 duiken de vier evangeliën op in de geschiedenis. Paulus’ brieven bieden dus geen argument voor de accuraatheid of betrouwbaarheid van de (later geschreven) evangeliën.

  • Hoewel de evangeliën pas later ontstonden, is het wel zeer aannemelijk dat er al in vroegere tijden een document was met uitspraken van Jezus: het ‘document Q’, wat vermoedelijk de basis vormde voor die evangeliën. Dit ‘document Q’ kan grofweg gereconstrueerd worden door de synoptische evangeliën over elkaar heen te leggen en de overeenkomstige delen – met de precies gelijke woordkeus – eruit te filteren. Nu is het zo dat daar waar Paulus in zijn brieven over Jezus spreekt, zijn visie op hem hevig afwijkt van de Jezus uit het ‘document Q’. In het document Q wordt Jezus geportretteerd als een historische Joodse rabbi uit Nazareth die de mensen terugriep tot een oprecht geloofsleven, die de wet eerde en duidde, en van wie gezegd werd dat hij de Messias was. Paulus daarentegen ontwikkelde een veel spiritueler en verhevener versie van Jezus, waarin deze meer als geestelijk type en goddelijke heerser fungeert dan als historische persoon. Zo refereert Paulus nooit aan Jezus’ leer, uitspraken, redes of levenswandel – Jezus is bij hem vooral de bovennatuurlijke entiteit die tijdelijk op aarde was maar nu in de hemel over alles regeert, die de universele middelaar is tussen God en mens, uit wie alles ooit voortkwam en die voor eeuwig leeft – ook wel de leer van de ‘Pantocrater’ genoemd (‘pantocrater’ betekent ‘alles-heerser’). Ons moderne christendom komt voort uit dit ‘Paulusiaanse’ christendom, maar wijkt dus waarschijnlijk sterk af van het vroegste christendom dat de Joodse discipelen van Jezus beleden (daarover later meer). Kortom: de connectie tussen Paulus’ brieven en de historische verslagen in de evangeliën is nihil, en daarom is het onzinnig om Paulus’ brieven als argument aan te dragen voor de validiteit van de evangeliën.
  • Paulus beweerde al 20 jaar na Jezus’ dood dat deze was opgestaan, wat door christenen vaak wordt aangedragen als bewijs dat de opstanding werkelijk gebeurde en dit niet een mythe is die later ontstond. Zoals gezegd was Paulus echter geen ooggetuige, hij had over de opstanding gehoord van anderen. Maar belangrijker nog: we weten niet zeker of Paulus met een ‘opstanding’ hetzelfde bedoelt als wat latere christenen ermee bedoelden. Allereerst omdat in het Jodendom ‘opstanding’ vaak gezien werd als een geestelijke opstanding, waarbij een ziel uit het dodenrijk wordt opgewekt en verder leeft in de hemel bij God. Dit idee, dat de dood een zonsondergang was gevolgd door een geestelijke zonsopgang, als een zaad dat sterft en weer levend wordt in andere vorm, komt veelvuldig voor in het denken uit die tijd.
    Daarbij is het goed mogelijk dat Paulus, wanneer hij het over verschijningen van de opgestane Jezus heeft, het over verschijningen in visioenen heeft. De reden daarvoor is simpel: hij rekent zichzelf in 1 Korinthe 15 óók tot de groep waaraan Jezus verscheen: ‘Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven (…) vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan ​Jakobus, daarna aan al de ​apostelen; en het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen.' Paulus rekent zichzelf tot de lijst van apostelen/christenen die Jezus ‘gezien’ hebben – en we weten dat Paulus hem nooit fysiek gezien heeft, enkel in een visioen!
    Dit idee is niet vergezocht. Wanneer iemand plotseling overlijdt volgt een periode van rouw en verdriet. In de eerste dagen, weken en maanden is de kans groot dat de achterblijvers de overledene ervaren, zijn/haar aanwezigheid voelen, en dromen hebben over de persoon. Men noemt dit verschijnsel ‘postmortale ervaringen’.[6] Het gaat hierbij om ervaringen die zeer lucide en helder kunnen zijn en voor de persoon die het meemaakt als absolute realiteit kunnen aanvoelen. Deze ‘postmortale ervaringen’ komen veel voor, en het is helemaal niet vreemd te geloven dat de discipelen Jezus na zijn dood in deze vorm ervaren en gezien hebben, met uiteindelijk Paulus die Jezus zag in een visioen, als sluitstuk. In de meer dan honderd jaar na deze ervaringen – zo ongeveer tot het punt in de geschiedenis dat er sprake was van een enigszins afgerond evangelie van Mattheüs, Marcus en Lukas, kan dit verhaal al lang zijn aangedikt tot een lijfelijke opstanding.
    Het is dus mogelijk dat we bij Paulus het idee van de opstanding zien in haar primitiefste vorm: een theologisch concept over dat Jezus na zijn dood nog altijd doorleeft in de hemel, iets wat versterkt werd door visioenen en geestelijke ervaringen. Een concept dat niet zozeer om een fysieke opstanding gaat maar om een idee van ‘voortleven na de dood’ dat vooral de overwinning van Christus op de dood onderstreepte. Paulus bespreekt de opstanding dan ook nauwelijks als historische gebeurtenis (met een steen die was weggerold, met vrouwen of engelen bij het graf of met Jezus die vis at met de discipelen); wel bespreekt hij de opstanding veelvuldig en uitvoerig als een ‘theologisch idee’ waarin Jezus nadat hij stierf opsteeg en nu in de hemel regeert over alles, aan de rechterhand van God. Kortom: het is mogelijk dat de vroegste christenen de opstanding vooral als een geestelijke opstanding zagen, een theologisch concept, en dat dit idee in de eerste decennia langzaam aangedikt werd en ten tijde van de evangeliën pas werd vastgelegd als een historische, letterlijke opstanding.

Paulus als grondlegger van het christendom
Het is niet vreemd dat er veel geleerden zijn die geloven dat het christendom van Paulus een grote breuk was met het oorspronkelijke Joodse christendom. Door goed het ‘document Q’ te onderzoeken – wat vermoedelijk de meest oorspronkelijke uitspraken van Jezus bevat – rijst dan ook het idee dat de oorspronkelijke boodschap van Jezus enkel voor de Joden was.

Jezus zegt in de evangeliën letterlijk dat hij enkel tot Israël gezonden was: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël’ (Mat 15:24). Als een Kanaänitische vrouw Jezus om genezing van haar dochter vraagt antwoord Jezus dat ‘honden niet het brood van de kinderen mogen krijgen’ – met andere woorden, heidenen hadden helemaal niets van doen met hem, hij kwam voor de Joden (zie Mat 15:21-28). Jezus zond de discipelen dan ook uit om alle stammen van Israël te bereiken, en verbood hen specifiek naar de heidenen te gaan (‘Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls’ – Mattheüs 10:5).

In het Nieuwe Testament vinden we indicaties dat Petrus en de andere Joodse christenen vasthielden aan de exclusiviteit van het heil voor Joden. Zo hielden zij vast aan de besnijdenis – Paulus en Petrus hebben hier zelfs een ruzie over gehad in Antiochië. Meestal gaat men er vanuit dat Petrus en Paulus het eens met elkaar werden, maar de Bijbel laat dit in het midden. Sommige bijbelhistorici geloven dat het tegendeel waar was. Michael White, een van de leidende leraren over de oorsprong van het vroege christendom, zegt: ‘De ontploffing tussen Paulus en Petrus was een totale mislukking, en Paulus verliet Antiochië kort erna als een persona non grata, om nooit weer te keren.’[7] 

Paulus echter begon de heidenvolken te bekeren, en in zijn versie van het goede nieuws was Jezus veel meer dan alleen een Joodse rabbi en Messias: hij was een universeel spiritueel/goddelijk figuur die over alles regeerde. Alles wat tot het jodendom behoorde (zoals de besnijdenis, de tempel, het offer, het koninkrijk) degradeerde hij tot ‘symbolisch’. Paulus introduceerde ook het idee dat er een nieuw verbond was aangebroken waarvan het oude verbond slechts een symbolische voorafschaduwing was.

Petrus en Jacobus en de anderen die Jezus hadden meegemaakt, bleven in Israël en hadden vermoedelijk weinig op met Paulus. Paulus invloed werd al gauw groter, omdat hij talloze heidenvolken en uitheemse joden bereikte met zijn visie op Jezus. De val van Jeruzalem in 70 na Christus vormde mogelijk de doodsteek voor het ‘Joodse christendom’: nu stad en tempel verdween was dit koren op de molen van Paulus’ theologie. De wet had duidelijk afgedaan, het joodse christendom was ten einde, en er waren onderhand meer heidense dan joodse christenen.

Het hele christendom werd vervolgens Paulusiaans. Lukas, een volgeling van Paulus, schreef op basis van een brontekst een evangelie in de geest van Paulus – het Evangelie van Lukas. De tekst verhief Jezus boven zijn historische Joodse rabbischap, en maakte hem tot een groter Goddelijk type, en legde de nadruk op het idee dat Jezus’ boodschap ook voor de heidenen was.

Aangezien Paulus’ leer het fundament werd onder het totale oprukkende christendom (buiten de Joods-Messiaanse gemeenschap in Jeruzalem), is het zeer aannemelijk dat opstellers van de evangeliën beïnvloed werden door Paulus theologie en de op dat moment heersende ideeën over Jezus als ‘hoogste heer’ toevoegden aan de evangeliën – terwijl deze ideeën nooit tot het vroege Joodse christendom behoorden. Dit lijkt te worden bevestigd door het feit dat de tekstgedeeltes in de evangeliën waarin Jezus zichzelf als ‘goddelijke heer’ neerzet en waar wordt gezinspeeld op heil voor de heidenen, hoogstwaarschijnlijk niet tot de oorspronkelijke uitspraken van Jezus behoorden. Neem bijvoorbeeld Mattheus 28, waar Jezus zegt dat hem ‘alle macht is gegeven in de hemel en op aarde’, en dat hij tot in eeuwigheid bij zijn volgelingen zal zijn, waar hij aanbeden wordt door de discipelen en waar hij hen uitzendt om ‘alle volken tot discipelen’ te maken, is niet terug te vinden in het document Q. Ook de uitzending van de apostelen in Marcus 16 en waar Jezus hen zegt de ‘gehele wereld’ in te gaan om het evangelie aan de ‘ganse schepping’ te verkondigen, en waar Jezus wordt opgenomen in de hemel en zetelt aan de rechterhand van God, vinden we niet in document Q. Het slot van Marcus (vers 9-20) behoorde zelfs niet tot de vroegst circulerende versies van het Marcusevangelie, maar werd later ingevoegd.

Lukas, de volgeling van Paulus, was ook degene die de geschiedenis van de vroegste kerk optekenende: Handelingen der Apostelen. Bijzonder is echter dat Petrus in dit geschrift wordt afgeschilderd als een persoon die na wat weerstand ook de heidenen omarmt en zich onderwerpt aan Paulus’s en zijn idee dat de heidenen zich niet hoeven te laten besnijden – en die vervolgens compleet uit beeld verdwijnt. Was Petrus aan het begin van het boek nog de hoofdpersoon en belangrijkste apostel, ergens halverwege verdwijnt Petrus en neemt Paulus zijn plaats in als belangrijkste stichter en missionaris van het christendom. Is dat niet heel vreemd? Het lijkt erop dat, terwijl het joodse christendom langzaam uitstierf, de volgelingen van Paulus de geschiedenis van de kerk in het voordeel van Paulus herschreven.

Binnen het in een enorm gebied oprukkende christendom circuleerden lange tijd enkel de brieven van Paulus (zie de chronologie enkele paragrafen terug) – pas veel later werden daar andere geschriften aan toegevoegd.[8] Vermoedelijk was er in de vroege kerk, die enkel Paulus’ theologie kende, een grote roep om heldere beschrijvingen van het leven van Jezus. Op dat moment werden de evangeliën geschreven, met document Q als kapstok, maar beïnvloed door Paulus’s visie op Christus. Pas ver in de tweede eeuw zien we de evangeliën opduiken als gezaghebbende lectuur, en pas eeuwen later de brieven van andere apostelen zoals Petrus en Jakobus, waarvan we met geen mogelijkheid kunnen vaststellen of ze accuraat zijn of echt door hen geschreven zijn. De meeste bijbelgeleerden geloven dat de brieven van Petrus helemaal niet door Petrus geschreven kunnen zijn, want:

  • Het is moeilijk te geloven dat de Aramees sprekende visser Petrus het geschrift schreef, omdat het gebruik maakt van prachtig ‘stedelijk’ Grieks.
  • De brieven bevatten totaal geen verwijzingen naar persoonlijk contact met Jezus van Nazareth.
  • De auteur van de brieven maakt geen gebruik van de Joodse Schrift, maar van de Septuagint – de Griekse vertaling van de Joodse Bijbel. Echt Joden die Aramees spraken zouden geen gebruik maken van een Griekse Bijbel. De enige reden om de Griekse Bijbel te gebruiken is als het publiek niet Joods, maar heidens was – terwijl Petrus juist de evangelist van de Joden zou zijn geweest.
  • Dat Petrus in zijn brieven expliciet Paulus prijst is op zijn zachtst gezegd verdacht. In 2 Petrus 3:15-16 lezen we: ‘…zoals ook onze geliefde broeder ​Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, u geschreven heeft, zoals ook in alle brieven, wanneer hij deze dingen ter sprake brengt. Daaronder zijn sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften.’ Het lijkt erop dat de schrijvers van de brief van Petrus bewust Petrus’ goedkeuring van Paulus in Petrus’ mond leggen, juist omdat er vermoedelijk stemmen waren die beweerden dat Paulus’ boodschap compleet afweek van de Joodse volgelingen van Jezus van Nazareth.

Hoe dan ook: we weten feitelijk helemaal niets over hoe de vroegste Joodse volgelingen van Jezus dachten, omdat alles in de eeuwen erna in lijn is gebracht met de overheersende theologie – die van Paulus.

Samenvattend: er zijn zeer goede aanwijzingen voor het idee dat, hoewel er zeker een historische Jezus van Nazareth was, het christendom vooral ontstaan is vanuit de meer ‘mystieke’ en ‘goddelijke’ Christus die Paulus predikte, en die pas later in de evangeliën geconcretiseerd werd. Objectieve informatie over de ‘historische Jezus’ hebben we niet, hoewel de reconstructie van het document Q mogelijk het dichtst bij de accurate woorden van Jezus komt. Hoe dan ook komen de meeste Bijbelgeleerden tot de conclusie dat de ‘leer rondom Jezus’ niet anno 33 A.D. compleet was, maar zich langzaam ontwikkelde vanuit mondelinge overleveringen, uitspraken van Jezus en theologische (soms rivaliserende) uiteenzettingen van Paulus en andere apostelen – en pas in de 2e tot 3e eeuw ongeveer de huidige vorm kreeg.

Dan rest nog een belangrijke vraag: waar haalde Paulus zijn ideeën over Christus vandaan, als hij noch Jezus, noch de discipelen ontmoet had terwijl hij zijn brieven schreef? Hoe kwam Paulus aan zijn ideeën over Christus als zijnde de middelaar tussen God en mensen, als de goddelijke persoon die stierf en opstond uit de dood en daarmee de overwinning voor ons allemaal behaalde, en ons liet zien hoe ook wij onze aardse lusten moeten doden en leven door zijn Geest? Deze ideeën zijn niet terug te voeren op het Oude Testament. Waar haalde Paulus ze dan vandaan?

Op die vraag ga ik in in het volgende hoofdstuk: 'De aanbidding van Mithra en het christelijk geloof'.


NOTEN:

[1] De historische beschrijving van Johannes de Doper door Josephus komt echter nauwelijks overeen met wat de evangeliën over hem zeggen, en het belangrijkste: Johannes wordt nergens genoemd als aankondiger van Jezus. Volgens Josephus was hij een op zichzelf staande prediker die grote invloed had.

[2] Om precies te zijn hebben Mattheüs en Lukas gebruik gemaakt van het document Q én van het vroegere Marcus-evangelie.

[3] Hetzelfde geldt voor het boek Openbaring. Dit wordt door preteristen gezien als voorzegging van de val van Jeruzalem, maar het is evengoed mogelijk dat het een apocalyptische beschrijving is van die val van Jeruzalem achteraf - volgens de meeste geleerden dateert het boek namelijk uit het jaar 95 - vijftien jaar na de gebeurtenissen.

[4] Wel verwijst hij naar woorden van Jezus, maar nog niet naar een evangelie over hem (vermoedelijk omdat het document met woorden van Jezus circuleerde, het hypothetische ‘document Q’).

[5] Het enige verhaal dat hij noemt dat overlapt met de evangeliën is, volgens mij, het laatste avondmaal in 1 Korinthe 11. Een van de weinige keren dat Paulus Jezus citeert vinden we in Handelingen 20:35 waar hij zegt dat Jezus ‘het is beter te geven dan te ontvangen’ had gezegd. Deze tekst vinden we echter in geen enkel evangelie terug.

[6] Pim van Lommel beschrijft dit in ‘Eindeloos bewustzijn’.

[7] White, L. Michael (2007). From Jesus to Christianity. San Francisco, CA: HarperCollins.

[8] Pas veel later kwamen er enkele brieven van Petrus en Jakobus bij, maar er zijn goede redenen aan te nemen dat deze niet werkelijk door hen geschreven zijn. Petrus was een simpele visser uit Galilea, maar ‘zijn’ brieven zijn geschreven door iemand met een perfecte beheersing van het Grieks die zelfs citeert uit de Griekse vertaling van het OT (de Septuagint). Veel geleerden twijfelen of Petrus deze brieven geschreven kan hebben. Mogelijk zijn het geschriften van een andere, latere apostel, die toegeschreven werden aan Petrus.

 
 
© Tjarko Evenboer