WAAROM IK HET CHRISTELIJK GELOOF VERLAAT
2. DE MENSELIJKHEID VAN DE BIJBEL

In het vorige hoofdstuk heb ik uitgelegd hoe het geweld en het amorele karakter van God in het Oude Testament mij tot het inzicht brachten dat dit boek simpelweg niet het 'boek van God' kan zijn. Toen ik, zo’n 5 jaar na het schrijven van ‘De Wereldwijde Vloed’, mijn paradigma van Bijbelse onfeilbaarheid losliet, begon ik te ontdekken dat een menselijke oorsprong van de Bijbel eigenlijk veel beter te beargumenteren valt dan de ‘goddelijke’ oorsprong die ik zelf altijd verkondigd had.

Een goed voorbeeld is de heldere ‘theologische ontwikkeling’ die we zien in de Bijbel. Als we de Bijbel goed analyseren, ontdekken we dat het Godsbeeld telkens een product van de destijds heersende tijdsgeest was. Eigenlijk evolueerde de Bijbel mee met hoe de maatschappij veranderde.

In de vroege oudheid werden goden gezien als strijdgoden; ieder volk had zijn eigen oorlogsgoden/patroongoden die hen als natie in de strijd ondersteunden. De God van het Oude Testament is exact gelijk aan hoe alle volken destijds een volksgod zagen – een machtige, sterke heerser die zwaar straft en overwinning behaalt met het zwaard. En vervolgens evolueert het Godsbeeld in de Bijbel mee met hoe de samenleving in de oudheid evolueerde. Aangezien God volgens christenen onveranderlijk is, is de enige conclusie dat de menselijke gedachten over God in de Bijbel veranderden.

De enorme ontwikkeling die we in de Bijbel zien - door de eeuwen heen – toont voor mij aan dat we te maken hebben met menselijke en culturele projecties:

  • Allereerst is in de Bijbel een ontwikkeling te zien qua godencultus. Er zijn hele goede redenen om aan te nemen dat Israël oorspronkelijk polytheïstisch was en pas later het idee van één God ontwikkelde, en vervolgens in verschillende redactiefasen de teksten erop aanpaste. De naaste buren van de oude Israëlieten, de Kanaänieten, geloofden namelijk al voor de Israëlieten in de god El als hoofd van een pantheon aan goden. De Israëlieten namen de naam van deze god ‘El’ over. Er zijn echter goede aanwijzingen dat de Israëlieten in de vroegste tijd niet alleen de naam, maar de hele cultus van de Kanaänieten leenden, inclusief de andere goden.[1] In de betekenis van de oorspronkelijke verschillende namen voor ‘God’ kun je namelijk nog steeds de polytheïstische sporen herkennen. De oudste delen van de Bijbel vermelden God meermaals in meervoud (laten we mensen maken, laten we neerdalen en hun talen verwarren, enzovoorts). In grote delen van het Oude Testament staat niet ‘God’ (El), maar ‘goden’ (Elohim). Als Jacob God ontmoet heeft, zegt hij letterlijk dat hij ‘de goden’ gezien heeft, als Abraham zegt dat God hem riep, staat er letterlijk dat ‘de goden’ hem riepen. De enkelvoudige vertaling (‘God’) is een latere herinterpretatie, omdat men later wel strict monotheïstisch was geworden.[2] Het Oude Testament kent naast El en Elohim ook de (later prominentere) aanbidding van Jah of Jahweh (wat weer verwant lijkt aan de Soemerische god Ea). Latere redacteuren van de Thorah (de ‘Jahwisten’) herschreven de teksten zo dat er nog maar één God was: Jahweh.
    In de oudste delen van de Bijbel zien we bovendien dat God de bestuurder is van een ‘goddelijke raad’ of ‘raad van de zonen van God’ – een soort vergadering van God met lagere geestelijke wezens die samen het lot van mensen bespreken. We zien dit nog het duidelijkst in Job. Dit hele idee bestond al voor die tijd in de religies uit het oude nabije oosten. Zo wordt in de Enuma Elish en de Ugaritische teksten ook gesproken van een oppergod die een goddelijke raad of hemelse rechtbank voorzit. Ook in de religieuze teksten van de volken rondom Israël houdt de oppergod op een compleet menselijke wijze gesprekken met zijn medegoden.
    (Archeologische ontdekkingen hebben de polytheïstische oorsprong van Israëls cultus overigens ruimschoots bevestigd: voordat de Israëlieten Jahweh als enige God aanbaden, aanbaden zij eeuwenlang Jahweh en zijn vrouw, de godin Ashera. In het gebied van het oude Israël vindt men regelmatig inscripties die verwijzen naar de zegen van ‘Jahweh en zijn Ashera’. De tekst werd onder andere gevonden in de opgraving bij Kuntillet Ajrud, maar ook in een aantal locaties die altijd gezien werden als heiligdommen van Jahweh in o.a. Samaria, Jeruzalem, Teman, in het Bijbelse koninkrijk van Juda, en de grafplaats Khirbet el-Qom – afkomstig uit de periode van grofweg 900-750 voor Christus.)
  • De oudste delen van de Bijbel kennen een antropomorfisch (vermenselijkt) Godsbeeld zoals heidense volken kennen. Kenmerk van de oppergod bij bijna alle heidense volken is dat deze (nog) niet gezien werd als perfect of 100% goed; hij kon iets doen en zich later bedenken, hij kon zich laten misleiden of overreden iemand te verzoeken, hij kon woest worden en manipuleren. Een beetje zoals we de Griekse en Romeinse goden ook weergegeven zien: als mensen, maar dan met hogere krachten. De Bijbelse God – althans in de oudere delen van de Bijbel – is precies zo. God zendt de vloed en krijgt er later spijt van, hij gebiedt iets en wordt woest als het niet gebeurt, hij laat zich door satan overhalen Job te verzoeken, hij manipuleert Mozes door te zeggen dat hij hen zat is en gaat vernietigen omdat ze zo slecht luisteren, hij heeft driftbuien en is onredelijk, enzovoorts.
  • Ook de perceptie van wat überhaupt een ‘god’ is, evolueert in de Bijbel. In de oudste Bijbelse literatuur was Yahweh nog een typische ‘strijder-god’ zoals we die overal in het Nabije Oosten tegenkomen. Later ontwikkelde hij zich tot de nationalistische god en heerser over het koninkrijk Israël en Juda. In de loop der eeuwen ontwikkelde het vervolgens tot een God die niet alleen het land maar de gehele kosmos bestuurde – de heerser over de gehele schepping. Kortom: zelfs het basale concept ‘God’ lijkt in de Bijbel te evolueren, van nationale volksgod tot ‘heer van het universum’.
  • Het karakter van God verandert in de loop van de Bijbel. Zoals ik al even noemde, evolueert het karakter van God ook in de Bijbel - van een wraakzuchtige strijder in de God die volledig goed, licht en zuiver is en liefde is. (Maar zelfs dát klopt niet helemaal, want we zien flarden van de wraakzuchtige oordelende God terug in het Nieuwe Testament.)
  • Ook het concept ‘satan’ ontwikkelt zich vanaf het begin van de Bijbel tot het einde. Aan het begin van de Bijbel was er geen satan, want zowel goed en kwaad werden aan God toegeschreven. Vervolgens ontstond het idee van een satan, maar deze werd nog niet gezien als de bron van het kwaad, maar als een lid van de Goddelijke raad die namens God de mens mocht misleiden en verzoeken – de gerechtelijke ‘aanklager’. Omdat het Godsconcept langzaam ontwikkelde tot een God die volledig rechtvaardig en goed was, veranderde satan langzaam in de ultieme bron van het kwaad (zgn. ‘dualisme’). Het concept ‘satan’ bood daarmee een verklaring voor het kwaad in de wereld.
    De evolutie van satan verloopt ongeveer zo:
    > FASE 1: er was alleen een God, en is zowel auteur van goed en kwaad.
    > FASE 2: vanaf ongeveer Exodus is er sprake van een satan, maar dit is nog niet één uniform concept; we zien gescheiden entiteiten die kwaad doen (een engel des doods, een engel van verderf, etc). Ook was ‘satan’ nog niet duidelijk gepersonifieerd: overal waar over ‘satan’ gesproken kan het het beste vertaald worden als een term voor ‘weerstand’ of ‘verleiding’, en slechts zelden als een duidelijke entiteit – en soms worden God en satan nog bewijsbaar door elkaar gehaald.[3]
    > FASE 3: Satan wordt een duidelijk gepersonifieerd wezen. In Job zien we dit idee voor het eerst, maar nog altijd niet als bron van het kwaad, maar als rechterhand van God en uitvoerder van verzoekingen onder Gods autoriteit – de aanklager namens God die de mensen moest ‘testen’.
    > FASE 4: Satan past zich aan op het veranderde Godsbeeld: al het goede wordt toegeschreven aan God en al het kwaad – dat eerder óók aan God werd toegeschreven – wordt nu geweten aan Satan, die zich zelfs ontwikkelt tot de bron en verklaring van alle kwaad. Dit is echter pas laat in de geschiedenis van Israël; pas in het boek Zacheria (op zijn vroegst 500 voor Christus) zien we iets van wat op het huidige idee van satan lijkt, namelijk als universele tegenstander van God.
    > FASE 5: Tenslotte zien we in het Nieuwe Testament een gesloten concept van ‘Satan’, als bron van alle kwaad en als ultieme tegenstander die verslagen moet worden. 

Christenen zeggen vaak dat ze de Bijbel ‘van kaft tot kaft geloven’, terwijl de Bijbel helemaal geen uniform concept bevat over wat dan ook. Dat is ook de reden dat er 40.000 christelijke denominaties zijn die het over alles met elkaar oneens zijn. De Bijbel is een door mensen geschreven boek dat helemaal geen ‘Goddelijke consistente openbaring’ bevat. Voor werkelijk ieder theologisch standpunt zijn wel teksten in de Bijbel te vinden om anderen mee om de oren te slaan, maar dat heeft niets te maken met dat de Bijbel helder is – dat is simpelweg ‘cherry picking’: het selectief aandragen van vaak uit de context gehaalde teksten om een vooringenomen standpunt te verdedigen.

Bovendien: de Bijbel beweert zelf dat het menselijke toevoegingen bevat. Jezus zegt dat het gebod voor de echtscheiding niet van God afkomstig was, maar ‘…Mozes voegde het in omdat de mensen het wilden’(Marcus 10:2-5). Toch lezen we in het Oude Testament nergens dat Mozes het invoegde. Als Jezus het niet gezegd had, hadden we gedacht dat het een gebod van God was geweest! Een goede vraag is dan: hoeveel meer dingen heeft Mozes ‘zelf’ ingevoegd?

Ik ontdekte enkele jaren geleden door tekstvergelijking het volgende: als je Exodus 23 leest, krijgt Mozes van God te horen dat Hij op vredige wijze de volken voor hen zal wegdrijven – de hele tekst bevat totaal geen geweld. In Deuteronomium 7 herhaalt Mozes deze instructie op een later tijdstip, maar nu ineens is er van alles aan de tekst veranderd: de overwinning over de volken zal behaald worden door hen te doden. Als je de teksten naast elkaar legt (doe maar eens), zie je helder hoe de schrijver van het latere Deuteronomium de oorspronkelijke tekst uit Exodus genomen heeft en er zijn eigen gewelddadige ‘cultureel gekleurde’ interpretaties aan toe heeft gevoegd.

Ik ben mijzelf eerlijk de vraag gaan stellen: is de Bijbel datgene wat we zouden verwachten van een Boek der Boeken waarin God zichzelf openbaart? Als de almachtige Schepper, die volgens diezelfde Bijbel in essentie Liefde zou zijn (1 Johannes 4:8), een boek zou laten ontstaan wat Hem zou moeten openbaren, zou het er dan uitzien als de Bijbel? Ik kon dat niet meer geloven. De Bijbel lijkt totaal géén eenduidige openbaring over God te brengen. Integendeel, het is een door eeuwen heen ontwikkelde godsdienst: de elementen zijn langzaam geëvolueerd, er zijn telkens dingen aangepast, bijgevoegd en uit andere religies geleend. God evolueerde, Satan evolueerde, en Jezus haalt er vervolgens ook nog het destijds bestaande idee bij van allerlei ‘geesten’ of ‘demonen’ die mensen kunnen bezitten en uitgedreven dienen te worden – een van oorsprong heidens idee dat in het Oude Testament niet of nauwelijks voorkomt[4] maar in de tijd van Jezus wijdverbreid was. Jezus introduceert zelfs het Grieks-mythologische concept van ‘Hades’. Ook de apostelen leenden erop los, uit Joodse apocriefen maar ook veelvuldig uit de Griekse filosofie (o.a. het concept ‘Logos’ als fundament onder schepping), de geschiedenis rond Jezus kent grote parallellen met heidense culten als de aanbidding van Mithra, en de evangelieschrijvers hebben vermoedelijk zelfs historische concepten uit Flavius Josephus geleend (daarover later meer).

Harari schrijft in Sapiens: ‘In feite is het monotheïsme zoals zich dat in de loop van de geschiedenis heeft ontwikkeld een caleidoscoop van monotheïstische, dualistische, polytheïstische en animistische erfenissen, allemaal samengebracht onder één goddelijke paraplu. De gemiddelde christen gelooft in de monotheïstische God, maar ook in de dualistische duivel, in polytheïstische heiligen [of engelen, red.] en in animistische geesten.’ Het christendom is in feite, zo zegt Harari, ‘syncretisch’ – ze is een mengelmoes van religieuze ideeën.

Geleende mythologie
Zoals terloops vermeld is door archeologische vondsten aangetoond dat de vroege Israëlieten meerdere goden aanbaden, met als hoogste goden Jah of Jahweh (waarvan de naam een afgeleide lijkt te zijn van de Babylonische godheid Ea) en de godin Ashera. Daarnaast aanbaden zij de god El van de Kanaänieten. Het Israëlitische monotheïsme lijkt pas in een latere tijd te zijn ontstaan.

In de zesde eeuw voor Christus werden de Israëlieten weggevoerd en in ballingschap in Babylonië gehouden. Vermoedelijk zijn de grootste delen van de Thora pas opgetekend toen het volk Israël na deze Babylonische ballingschap terugkeerde in hun land. Er was, na zoveel jaren van gevangenschap, een sterke behoefte aan een nationale identiteit, aan een eenduidige geschiedenis en een historische geschiedkundige basis voor hun land. Veel geleerden zijn ervan overtuigd dat de Joodse mythen sterk beïnvloed werden door die van de Babyloniërs. Dit verklaart een hoop parallellen:

  • HET SCHEPPINGSVERHAAL. Het scheppingsverhaal in Genesis toont grote overeenkomst met de Enûma Eliš, de scheppingsmythe van de Babyloniërs. Het beschrijft een water-chaos voor de schepping, een scheiding van die chaos in een hemel en aarde, en een schepping in zeven fasen (namelijk onderverdeeld in zeven tabletten). In Genesis zijn dit zeven scheppingsdagen geworden.
  • DE ZONDEVAL. Het verhaal over de zondeval van Adam lijkt gebaseerd te zijn op de Babylonische mythe van de zondeval van Adapa – het verhaal dat de sterfelijkheid van mensen verklaren moest. In de mythe schept de god Ea de eerste mens, Adapa. Adapu moet bij de hoogste god Anu komen, die van plan is hem voedsel van onsterfelijkheid te geven. Ea misleidt Adapu echter door tegen hem te zeggen dat het voedsel dat Anu hem aan zal bieden juist tot de dood zou leiden, en hij dringt er op aan bij Adapu om het voedsel te weigeren. Adapu ontmoet de god Anu en doet precies wat hem is opgedragen: hij weigert het voedsel dat Anu hem aanbiedt. Anu is verbaasd dat Adapu het voedsel van eeuwig leven weigert, en met lichte tegenzin moet Adapu de hemel verlaten. Hij zal nu voor op aarde moeten leven als een sterfelijk wezen. De overeenkomsten zijn duidelijk: het gaat om de eerste mens, er is sprake van voedsel dat tot onsterfelijkheid dan wel dood leidt, er is een rivaliserende godheid die de eerste mens misleidt, met als gevolg de 'zondeval' van de mens.
  • DE VLOED. Het vloedverhaal lijkt zeer sterk op het vloedverhaal uit het Babylonische Gilgamesj-Epos, en kent dezelfde verhaalopbouw. Ook het idee van de strijd tussen de 'nefilim' en de 'elohim' (=goden) lijkt geïnspireerd op de strijd tussen de rivaliserende Babylonische goden voorafgaand aan die vloed.
  • DE WET. De Joodse wet lijkt sterk op de Babylonische wetten, zoals de wet die de Babylonische koning Hammurabi rechtstreeks van de god Shamash gekregen zou hebben (de Hammurabi Codex) en, bijvoorbeeld, de Assyrische Wet.
  • DE SABBAT. Het idee van een heilige rustdag voert terug op de Babyloniërs. De genoemde Enûma Eliš beschrijft de dag van de volle maan als een maandelijkse rustdag, die zij Sapattum of Sabattum noemden. De Soemerische naam sa-bat betekent 'mid-rust', oftewel: rust op het midden van de maand. Op een beschadigd kleitablet van de Enûma Eliš is zelfs de tekst 'Gij zult de sabbat houden op het midden van de maand'. De Israëlieten maakten hier een wekelijkse rustdag van.

Overigens lijkt de priesterdienst van de Israëlieten weer één op één overgenomen van de priesterdienst die zij kenden uit Egypte, waar zij als slaven geleefd hebben:

  • De Egyptische priesters werden gezien als schakels tussen goden en mensen. Zij voerden de offerrituelen en jaarlijkse feesten uit.
  • De priesters waren besneden (en sommige Egyptische teksten suggereren dat alle Egyptische mannen besneden moesten worden).
  • Het volk bracht allerhande offergaven naar de tempel: rijke mensen brachten grote dure offers, arme mensen kleine offers. De priesters hadden veel werk aan het administreren van alle offergaven.
  • De tempel werd gezien als de aardse woning van de goden, en de priester mocht deze alleen betreden als hij zuiver was.
  • De priesters moesten zichzelf volledig scheren voor zij dienst deden. Ze deden vervolgens kleren van zuiver linnen aan.
  • Nabij de tempel was een bassin met water, waar de priester zich waste.
  • Na het uitvoeren van de reinigingsrituelen was de priester zuiver genoeg om het Heiligste der Heiligen te betreden. Aldaar bracht de Egyptische priester de offers aan de goden.
  • Naast priesters waren er tempelmuzikanten, die de goden tevreden stelden met hun aanbidding.

Het is voor mij duidelijk dat het Oude Testament niet door God aan Mozes gegeven is. Er is niets goddelijks aan: het is een samenraapsel van reeds bestaande mythische en godsdienstige concepten.

In mijn boek ‘De wereldwijde vloed’ redeneerde ik vanuit mijn Bijbel-paradigma echter precies andersom: ik meende dat de overeenkomsten voortkwamen uit het feit dat de voorouders van de Babyloniërs, Soemeriërs en Egyptenaren voortkwamen uit Noachs zonen, en zodoende nog veel kennis over de ‘oergeschiedenis’ bezaten. Maar ik zie nu dat deze stelling niet houdbaar is in het licht van alle feiten. Het Oude Testament is één van de mythische geschriften. Want zelfs de latere delen van het Oude Testament – zoals de verhalen over Mozes, Saul, David en Salomo, lijken gebaseerd te zijn op archetypische heldenverhalen van omliggende volken.

Eén voorbeeld ter illustratie: 

  • Mozes’s verhaal begint met dat zijn moeder hem in een met pek dichtgesmeerd biezen mandje in de Nijl legt. Vervolgens wordt hij gevonden door een prinses en wordt hij uiteindelijk deel van de hofhouding. Dit verhaal is gebaseerd op het veel oudere verhaal van de stichter van Akkad, Sargon de Grote (die regeerde van ca. 2334-2279 voor Christus). Sargons moeder zou haar zoon in een mandje in de Eufraat gelegd hebben, dichtgesmeerd met pek, en vervolgens werd hij gevonden en werd hij uiteindelijk koning. In beide verhalen moesten de moeders afstand doen van hun kind om het te redden; beide moeders legden het kind in een biezen mandje dat ze met pek afdichtten en aan de oever van een rivier neerlegden; beide kinderen werden bij toeval gevonden en door degene die ze vond opgevoed, en beide kinderen werden later een groot en machtig leider van een nieuwe natie. 

Wat voor Mozes geldt, geldt ook voor veel andere figuren uit het Oude Testament. Thema's als David en Batseba, David die door de profeet Nathan op zijn zonde wordt gewezen, de wijze waarop God Israël in de strijd steunt, de strijd tussen David en Goliat die beslecht wordt met een steentje op zijn voorhoofd, het zijn allemaal thema's die we terugzien in de heldenverhalen van andere volken uit de oudheid. Dit betekent niet dat er geen historische Mozes of David was, maar wel dat de verhalen over hen eeuwenlang gemythologiseerd zijn en na de ballingschap vermengd geraakt zijn met thema's uit andere bekende heldenverhalen in de regio.

De Bijbel kent geen betere moraal dan de andere heilige boeken
Het hele idee van de authenticiteit en hoge moraal van de Bijbel zoals ik dit in mijn eigen boeken ‘De Wereldwijde Vloed’ en ‘De Stenen Getuigen’ verkondig, brokkelde voor mij af toen ik probeerde echt open-minded de Bijbel tegen het licht te houden. Ik ontdekte dat de argumenten voor een compleet menselijke oorsprong van de Bijbel vele malen sterker zijn dan de argumenten ertegen. Zelfs als het gaat om Bijbelse profetieën en voorzeggingen rond de persoon Jezus Christus (ook daarover later meer).

Daarbij: ik heb zelf in mijn boeken het idee van een wereldwijde zondvloed verdedigd, zonder werkelijk te begrijpen waar ik over schreef. Want hoe goed ik ook probeerde te bewijzen dat er wérkelijk een vloed geweest is, het ontging mij volledig hoe absurd die vloed is in moreel opzicht. Hoe geloofwaardig is het dat de ‘almachtige en alwetende God’ de aarde schiep en de mensen maakte met een vrije wil, vervolgens woedend op hen wordt omdat ze die vrije wil ook gebruiken, zelfs spijt krijgt dat hij aan de schepping is begonnen, en vervolgens de hele wereldbevolking doodt in een vloed – inclusief vrouwen, kinderen en baby’s. Sterker nog: God zag dat de mensheid ‘vol geweld was’, en als oplossing doodt hij de gehele mensheid! Hoe ironisch! Behalve dat het vloedverhaal een nogal mythisch-antropomorfisch Godsbeeld kent (het is een God die net als de meeste heidense goden handelt als een imperfect mens), is het ook een verwerpelijk idee dat de Schepper van het universum op die manier zijn problemen oplost. Alsof de alwetende God een mens is die spijt krijgt van wat hij doet en dan besluit alles maar te vernietigen.

Sinds ik objectief naar de Bijbel probeer te kijken struikel ik simpelweg over de rare dingen die ik hier en daar lees. In Deuteronomium 23 staat dat als mensen hun behoefte deden, ze hun uitwerpselen moesten bedekken, ‘want de Heere uw God wandelt binnen uw kamp - daarom moet uw kamp heilig zijn, opdat Hij niet iets schandelijks bij u ziet en zich van u afkeert’. Ik vind het complete waanzin om te veronderstellen dat de Schepper van hemel en aarde zoiets zou zeggen! We zien hier, uiteraard, een gebrekkig, menselijk beeld van God.

Of neem Exodus 32 waar God boos wordt op Israël omdat ze halsstarrig zijn, en zegt dan dat hij zijn toorn tegen hen wil laten ontbranden en hen wil vernietigen. Als Mozes vervolgens op God inpraat en hem confronteert met diens belofte om voor hen te zorgen, krijgt God ‘...berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen’. DusGod belooft Israël iets, doet het vervolgens niet en dreigt hen te doden, en dan moet Mozes op hem inpraten en hem uitleggen dat hij een beetje onredelijk aan het doen is, en dan krijgt God berouw dat hij zo negatief sprak en zo agressief deed. Laten we eerlijk zijn: deze God is eigenlijk net zoals Grieken hun Zeus voorstellen: grillig, manipulatief en een uitvergroting van de mens.

Als God werkelijk is zoals het Oude Testament hem afbeeldt, dan weet ik niet of ik hem wil liefhebben. Want wat is er mooi en schitterend aan een God die eigenlijk net als een mens is: het ene moment vriendelijk en trouw en het volgende moment woedend en agressief, vaak wraakzuchtig[5], moordzuchtig, en quasi-narcistisch op zoek naar zijn eigen eer ten koste van alles?

Herman Finkers sloeg de spijker op de kop toen hij zei (in een interview met Trouw, 8 februari 2020): “Er zijn mensen voor wie het geloof in God gelijk staat aan het geloof in de Bijbel en ik vraag me af of dát nou niet een vorm van afgoderij is; om naar die tweeduizend pagina's dundruk te wijzen en te zeggen dat God dáár in zit, in plaats van ook in jou en in mij, in de vogels en de bomen, overal. Bovendien worden er in dat boek zoveel godslasterlijke dingen over Hem beweerd dat ik, als ik God was, tegen de interviewer zou zeggen: dat moet je even veranderen, want zó heb Ik het in ieder geval nooit gezegd.”

Kortom: ik verwerp de Bijbel omdat ik geloof dat als er echt een God is, deze beter moet zijn dan hoe de Bijbel hem voorstelt.

Nu is het zo dat het idee dat de Bijbel onfeilbaar en 'het woord van God' is, ironisch genoeg niet in de Bijbel zelf terug te vinden is. We vinden in de Bijbel enkel het idee dat de Schrift 'geïnspireerd' is. Enkele jaren lang was dat mijn uitvlucht: niet alles in de Bijbel is goddelijk, maar het grote geheel is geïnspireerd, en het is wel het vehikel waarmee God zich openbaart. Maar ook dat heb ik losgelaten omdat ik eerlijk moest toegeven dat het slechts een schijnoplossing is: de God die de Bijbel openbaart is een creatie van de mens; een echte God zou zich niet door een geschrift openbaren dat zoveel gruwelen in zijn schoenen schuift.

Mijn visie op de Bijbel is nu dat we het hooguit kunnen zien als een reflectie van hoe de mensen God zoeken: een groot mozaïek van evoluerende ideeën over het goddelijke, langzaam ontwikkelend parallel aan hoe de samenleving van Israël zich ontwikkelde. De Bijbel is – hoe dan ook – niet een onfeilbaar geschrift waarin iedere tekst door God is ingegeven. Ik denk dat als er een God is, deze ‘echte God’ waarschijnlijk zeer weinig met de Bijbel te maken heeft. Want nogmaals: zou een God van liefde werkelijk zo innig geassocieerd willen worden met een boek dat hem regelmatig wegzet als een wrede tiran?

Mijn problemen bleven echter niet beperkt tot het 'gruwelijke' Oude Testament. In het volgende hoofdstuk ga ik in op de onlogica in het christelijke idee van strafverzoening, hel en eeuwig oordeel.


NOTEN:

[1] Dat de Israëlieten oorspronkelijk polytheïstisch waren en hun goden in eerste instantie van Kanaän afkeken, verklaart ook waarom in de Bijbel de god Baäl altijd wordt gezien als valse god, en de oppergod El van de Kanaänieten niet: El aanbaden zij namelijk zélf. Daarom wordt ‘El’ nooit als afgod genoemd in de Bijbel. Baäl was de zoon van de Kanaänitische El, en had reeds een aparte cultus gekregen en was dus een rivaal van El geworden, en wordt door Israëlieten dus ook gezien als rivaal van de Israëlitische El. Als de Israëlieten NIET door de Kanaänieten beïnvloed zouden zijn, dan zou het logisch zijn geweest dat Jahwehs grote rivaal El was - de grote god van het vijandelijke volk dat naast hen woonde! Maar het is Baäl, de God die ook voor veel Kanaänitische El-aanbidders als rivaal van El werd gezien.

[2] De sterke nadruk in de oudtestamentische wetten om ‘geen andere goden te dienen’ is iets wat in die tijd gewoonte was bij volken: bij oorlogen streed jouw volksgod tegen de volksgod van de andere volken, en jouw volksgod zou het volk alleen zegenen als ze hém zouden aanbidden. Vroeg in de Bijbel vinden we daarom het idee dat er meerdere goden zijn en je alleen El of Jahweh mag aanbidden, pas rond de zesde eeuw voor Christus zien we het idee ontstaan dat de andere goden helemaal niet bestaan en alleen Israëls God bestaat.

[3] Zo wordt de geschiedenis van de volkstelling zowel in Saul als in Kronieken beschreven; in de ene verslaglegging is het God die David misleid, in de ander is het Satan die hem misleid. Ook dit ondersteunt de gedachte dat de Bijbel evolueert met het godsbeeld van haar schrijvers: in de tijd van deze geschiedenis geloofde men dat het kwaad van God kwam – ook als het uitgevoerd werd door Satan. Voor de vroegere Israëlieten was onderscheid tussen God of ‘zijn’ engel Satan dus futiel.

[4] We lezen in het oude testament enkel heel sporadisch over ‘een boze geest van de Heer’ die iemand kwelt, wat men in essentie zag als God die iemand strafte – niet als een ‘kwade macht’ die van Satan afkomstig was.

[5] Ik herinner me een passage waarin God de Amalekieten straft (uitmoordt) voor iets wat hun voorvaders 400 jaar ervoor deden.

 
 
© Tjarko Evenboer